Op vrijdag 2 november jl. vond de De Doelderdag plaats. Het thema van het symposium luidde: Europa, een fiscale droom? Vanuit verschillende fiscale invalshoeken werd aangegeven wat na 50 jaar Europese samenwerking op fiscaal terrein is bereikt en wat we de komende jaren nog kunnen verwachten. Hieronder een korte impressie.

Prof. mr. drs. H.P.A.M. van Arendonk heet de aanwezigen welkom. Hij gaat kort in op het 50-jarig bestaan van de Europese Gemeenschap. Dit voorjaar was er een feestelijke bijeenkomst in Berlijn om het 50-jarig bestaan van de Europese Gemeenschap te vieren. Deze feestelijke bijeenkomst is nagenoeg onopgemerkt gebleven voor de Nederlander. Er heerst in Nederland een grote ontevredenheid over de op hol geslagen bureaucratische machine in “Brussel”. Deze ontevredenheid heeft wellicht geleid tot de afwijzing van het Europese Grondwetsverdrag door Nederland. Er wordt in dit kader ook verwezen naar het boek “Europese mandarijnen” van Derk-Jan Eppink. De auteur schetst in dit boek een beeld van een Europees ambtelijk apparaat met een culturele traditie waarin verstarde formalisten de dienst uit maken.      

Doelderdag zaal

De eerste spreker van de middag is Prof. dr. J.J.M. Jansen. Hij gaat in op de knelpunten en hoofdbrekens die samenhangen met de harmonisatie van de verschillende stelsels van vennootschapsbelasting in de Europese lidstaten. Deze stelsels zijn niet op elkaar afgestemd. Dit is een knelpunt voor ondernemingen die in verschillende lidstaten opereren en verstoort de interne markt. De vennootschapsbelasting als factor voor de vestigingsplaats van ondernemingen neemt toe. Een harmonisatie van de verschillende vennootschapsbelastingstelsels is wenselijk. De Europese Commissie is inmiddels met een voorstel gekomen, het zgn. CCCTB-model (Common Consolidated Corporate Tax Base). Prof. Jansen geeft aan dat dit model vele knelpunten en hoofdbrekens meebrengt. De Europese Commissie komt eind 2008 met een voorstel voor een richtlijn tot harmonisatie van de Europese vennootschapsbelastingen. Prof. Jansen schat in, mede gezien de politieke wil in Europa, dat het nog zeker 25 jaar duurt om tot een (begin van) harmonisatie van de Europese vennootschapsbelastingstelsels te komen.

Daarna gaat Prof. mr. drs. H.P.A.M. van Arendonk in op de betekenis van Europa voor de Nederlandse inkomstenbelasting. Volgens oud-commissaris Bolkestein is een harmonisatie van de inkomstenbelastingstelsels van de lidstaten erg lastig vanwege de vele folkloristische elementen. De betekenis van Europa voor de Nederlandse inkomstenbelasting moet vooral gezocht worden in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (hierna: HvJ EG). De Nederlandse inkomstenbelasting kent een aantal emigratieheffingen, zoals voor aandelen die een aanmerkelijk belang vormen, pensioenaanspraken, lijfrenten en kapitaalverzekeringen eigen woning. De achtergrond van deze heffingen is dat de belastingclaim verloren dreigt te gaan bij emigratie. De belasting die bij deze gelegenheden verschuldigd is, wordt in een afzonderlijke aanslag de zogenoemde conserverende aanslag vastgelegd. Daarnaast kent de Nederlandse inkomstenbelasting ook een directe belastingheffing in geval een ondernemer met zijn onderneming emigreert. Ten aanzien van deze emigratieheffingen bestaat dus een spanningsveld tussen de soevereiniteit van de lidstaten met betrekking tot hun fiscale stelsels en de doelstelling van de interne markt. Het HvJ EG heeft in een aantal arresten uitgemaakt dat de Nederlandse conserverende aanslag bij emigratieheffingen op dit moment in overeenstemming is met het EU-recht. Er bestaat na deze arresten echter nog geen duidelijkheid ten aanzien van de emigratieheffingen voor ondernemers. Prof. mr. drs. H.P.A.M. van Arendonk bespreekt tevens de verhouding tussen de vrijverkeersbepalingen en het burgerschap van de Europese Unie. In dit kader wijst hij tevens op de “Renneberg”-zaak. In deze zaak heeft de Hoge Raad aan het HvJ EG gevraagd of het EG-recht zich er tegen verzet dat een belastingplichtige die vanwege hypotheekrente negatieve inkomsten heeft uit een eigen woning in zijn woonstaat en zijn arbeidsinkomsten volledig verwerft in een andere lidstaat (de werkstaat), door die werkstaat niet wordt toegestaan de negatieve inkomsten af te trekken van zijn belaste arbeidsinkomsten, terwijl de werkstaat een zodanige aftrek wel toestaat voor ingezetenen. Het wachten is op de uitspraak van het HvJ EG. Als Renneberg in het gelijk wordt gesteld betekent dit een import van buitenlandse aftrekposten in de Nederlandse inkomstenbelasting.

Vervolgens merkt dr. A.C.G.A.C. de Graaf in zijn betoog op dat de voortgang van het harmonisatieproces binnen Europa wordt belemmerd door het unanimiteitsvereiste. Hij bespreekt aan de hand van drie onderwerpen en relevante jurisprudentie de strategie van de Europese Commissie om via het HvJ EG de lidstaten tot een verdere harmonisatie van hun fiscale stelsels te dwingen. Hij komt tot de slotsom dat het HvJ EG zichzelf ten aanzien van de fiscaliteit een bescheiden rol heeft toebedeeld en dat het HvJ EG zich niet door de Europese Commissie heeft laten gebruiken voor een verdere harmonisatie van de fiscale stelsels van de lidstaten. Er is in dit kader weinig verdere voortgang te verwachten.       

Tot slot bespreekt prof. dr. H.A. Kogels de ontwikkelingen omtrent de BTW. Hij merkt op dat de BTW heeft bewezen een effectieve algemene verbruiksbelasting te zijn, maar dat de BTW inmiddels toe is aan een wezenlijke opknapbeurt. Het BTW-systeem dient tijdig te worden aangepast aan de veranderingen in de samenleving. De snelle ontwikkeling van de mondiale economie, gekenmerkt door toegenomen goederen bewegingen en nieuwe vormen van grensoverschrijdende dienstverlening stelt nieuwe eisen aan het Europese BTW-systeem. Hij merkt tevens op dat de moeizame discussie over BTW-vernieuwingen binnen de EU zal worden beïnvloed door de discussie in de OECD.   

sprekers

In de afsluitende forumdiscussie stellen de aanwezigen in de zaal kritische vragen aan de sprekers. Dit levert interessante punten op. Afgevraagd wordt bijvoorbeeld waarom de Europese Commissie, in tegenstelling tot de BTW, geen maatregelen neemt om fraude op overige fiscale terreinen zoals de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting te voorkomen. In dit kader wordt opgemerkt dat de heffing van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting een nationaalrechtelijke aangelegenheid is en dat het daarom voor de hand ligt dat de lidstaten dit probleem zelf ondervangen. Tevens wordt opgemerkt dat er wel diverse richtlijnen zijn die informatie-uitwisseling tussen de lidstaten mogelijk maken.

Tot slot merkt prof. mr. drs. H.P.A.M. van Arendonk op dat de conclusie van deze De Doelderdag moet zijn dat een echte Europese interne markt voor de fiscaliteit vooralsnog een droom blijft. De deelnemers vonden het een geslaagde bijeenkomst en de discussie werd voortgezet tijdens een geanimeerde borrel.

Erik Ros